Fontainehofje

Valeriusstraat 198

                        Regentenkamer

Gesticht in 1753 gebouw van 1913
Was bestemd voor: Personeel.
Huidige bestemming: Vrouwen boven de 50 jaar met een laag inkomen.

Bijzonderheden: oude gevelsteen met wapens en de vermelding:

Fontaine – Hoffie
Gestigt door Vrouwe Petronella Calkoen
Wed. de Ed. Heer Mr. Ioan Fontaine, in syn
Ed. leven Schepen en raad deser stad.

Beschrijving hofje:
Het Fontainehofje is in 1753 bij testament gesticht door Petronella Calkoen, weduwe van Mr. Joan Fontaine, naar wie het hofje is genoemd. Het bestond uit zes huisjes met beneden en bovenwoning aan een bestrate plaats en nog twee woningen aan het eind van een bloementuin, verscholen achter het huis Keizersgracht 47-63. In dit huis met een deftige opgang, bevond zich de regentenkamer en de woning van de opzichteres. De ingang van het hofje was daaronder. Het was bestemd voor Petronella´s personeel, dat zo tot het graf verzekerd was van een gratis onderkomen en er werd zelfs een soort bestaansminimum in stand gehouden. Toen op de Keizersgracht het nieuwe gebouw van St. Johannes de Deo kwam, is het huis en het hofje afgebroken. Maar de pomp en de gevelsteen uit het front van het grachtenhuis, gingen mee naar de Valeriusstraat. De pomp kreeg een plaatsje in de tuin en de oude gevelsteen, met de wapens en een drie-regelig vers, werd ingemetseld in de buitenmuur.
Petronella liet uit haar huwelijk met Joan Fontaine geen kinderen na. Een van hun twee kinderen stierf vlak na de geboorte. En na de dood van Joan in 1731 verloor Petronella in 1736 ook haar toen 15 jarige dochter. Haar nalatenschap ging naar haar neven Calkoen, die ook de eerste regenten werden. In de 18e eeuw genoot Petronella, die veel belangstelling had voor het bereiden van voedsel, enige bekendheid met haar recepten en middeltjes tegen verschillende kwalen.

De Stichting Het Fontainehofje is nog steeds in handen van de familie Calkoen, afstammelingen van de stichtster. En de directrices van het hofje zijn altijd leden van deze familie geweest. Uno en Floris Calkoen zijn de huidige regenten en Gigi Calkoen woont met haar gezin in het directricehuis. In een eerdere periode (1978-1988) is Gigi nog directrice geweest, toen waren de regels ook nog veel strenger, maar nu noemt zij zich liever beheerder van het hofje. Oorspronkelijk bevatte het hofje twaalf woningen, zes beneden en zes boven, te bereiken via de tuin. In de jaren zestig van de vorige eeuw, is bij de restauratie dit aantal teruggebracht tot zes, nu tweekamerwoningen, voorzien van een keukentje en badkamer. Ook de regels zijn aangepast aan de huidige tijd. Naar religie wordt niet meer gevraagd en moesten de vrouwen vroeger om 10 uur ´s avonds binnen zijn, nu heeft iedere bewoonster een eigen sleutel. Belangrijker wordt het geacht of iemand in het hofje past.
Van een paar regels wordt echter niet afgeweken, het hofje is nog steeds bestemd voor vrouwen van boven de vijftig jaar, met een laag inkomen. Ook al worden de huidige bewoonsters er niet meer toe verplicht, er leeft binnen het hofje nog wel een gevoel van saamhorigheid. Zo wordt er sinds een aantal jaren gezamenlijk oud- en nieuw gevierd, niet omdat het moet, maar omdat het zo ontzettend gezellig is. En bij de viering van het 250 jarig bestaan in 2004, hebben de bewoonsters een eigen receptenboekje samengesteld, in de geest van Petronella. Haar boek met “kook- en stoofmodellen” waarin zij haar recepten had opgetekend, was ooit in het bezit van een andere tak van de familie en bleek niet meer te traceren. Jammer, want Gigi had het bij deze gelegenheid graag opnieuw uitgegeven.

In de regentenkamer, gelegen in het directricehuis, bevindt zich het 18e eeuwse meubilair en een nog uit de 17e eeuw bewaard gebleven schoorsteen. Daar hangen ook de portretten van Petronella Calkoen, Joan Fontaine en hun dochtertje.

Fernandes Nuneshuis

Nieuwe Kerkstraat 16

Gesticht in 1786
Was bestemd voor: Portugees-joodse vrouwen boven de 60 jaar.
Huidige bestemming: Onbekend.

Bijzonderheden: het huis bevat twee gevelstenen.

Beschrijving hofje:
Dit Portugees-Iraelitisch hofje werd bij testament gesticht door Joseph Fernandes Nunes. Het bood vrije woning aan behoeftige oude vrouwen, ongehuwd of weduwen van de nederl.- portug.- israel. Gemeente. De zes kamers, gelegen boven de bewaarschool van die Gemeente, werden dubbel bewoond, waardoor het hofje plaats bood aan 12 vrouwen. Een daartoe afgezonderd kapitaal strekte tot het nodige onderhoud der kamers, over welke het beheer steeds was opgedragen aan de naaste bloedverwanten van de erflaters. Alleen twee gevelstenen boven de grote dubbele deuren in het midden doen nog aan dit hofje herinneren. De bovenste met:

-Fernandes Nunes Huis-

En een tweede met bovenaan een tekst in het Hebreeuws en daaronder:

-Ende de HEERE was met JOSEPH-
-Soodat hij een voorspoedig man was-
– Gen: 39. V2 –

Alings (1965) vermeldt dat dit hofje na de Tweede Wereldoorlog niet is teruggekomen. Uit piëteit en omdat het al zo lang geleden is, heb ik naar de huidige bestemming geen navraag gedaan.

—–

Nieuwe Kerkstraat 16
Hier was het Fernandes Nuneshuis. Dit was een hofje voor arme Portugees-Joodse vrouwen. De gevelsteen is gerestaureerd en er staat een tekst op in het Hebreeuws en het Nederlands. Deze tekst betekent dat het belangrijk is om aan liefdadigheid te doen (Tsedeka). De tekst is: “Ende de Heere was met Joseph, soodat hij een voorspoedich man was”. Joseph Fernandes Nunes had in zijn testament bepaald dat zijn geld voor dit huis bedoeld was.
Dit komt van de Website Joods Amsterdam

Everdina de Lanoyhof

Van Hallstraat 51

Gesticht in 1882 gebouw van 1910
Was bestemd voor: Alleenstaande vrouwen boven de 50 jaar.
Huidige bestemming: Starters en studenten.

Beschrijving hofje:
Een mooi vierkant gebouw tussen de Bentinckstraat en de Clifforstraat heette oorspronkelijk Hofje der Remonstrantse Gemeente. Het werd in 1882 bij testament gesticht door Everdina de Lanoy, die daartoe een bedrag schonk aan de Remonstratse Gemeente. Daarbij had zij nauwkeurig aangegeven hoe het hofje er uit moest zien: twee verdiepingen plus een zolder hoog. Elke woning moest 20 vierkante meter groot zijn en tenminste drie kasten bevatten, waarvan één bij de bedstee, één voor grof aardewerk en één voor etenswaren, porselein en glas.
Het was bestemd voor 28 alleenstaande vrouwen van boven de 50 jaar, die hier vrij wonen genoten. Zij moesten echter wel over voldoende inkomen beschikken voor eigen onderhoud. De band tussen het hofje en de Remonstrantse Gemeente werd aan het eind van de vorige eeuw steeds losser. Eerst ging het beheer over naar de Everdina de Lanoystichting en weer later naar Stichting De Drie Hofjes, waaronder ook het Hofje Venetiae en het Suyckerhoff Hofje vallen. In 2001 werd het hofje verkocht aan woningcorporatie Het Oosten, die het achterstallig onderhoud op zich nam én zich verplichtte het hofje een ‘charitatieve bestemming’ te geven. Omdat er voor starters en studenten te weinig goedkope huurwoningen in Amsterdam zijn, werden zij ‘het goede doel’. In de woningen links van de hal wonen studenten van de HES, waarvoor met de Hogeschool een huurcontract is afgesloten. De woningen rechts van de hal worden verhuurd aan starters. Er is een gemeenschappelijke tuin, een fietsenkelder en iedere bewoner heeft een eigen berging op de grote zolder. De regentenkamer is ontruimd en alle kostbaarheden zijn elders ondergebracht.

 

Begijnhof

Spui 34-104 t/m 114

 

                               Het Begijntje

Gesticht vóór 1307
Was bestemd voor: Begijnen.
Huidige bestemming: Vrouwen.

Bijzonderheden: het oudste en grootste hofje van Amsterdam.

Het Begijnhof is het oudste en het grootste hofje van Amsterdam. Het bevat twee kerken, de Engelse Kerk en De Mirakel- of Begijnhofkapel. Onder de huisjes die het hofje vormen bevindt zich het ‘Houten Huys’. Dit stamt uit het midden van de vijftiende eeuw en is in 1888 bij de ‘restauratie’ verbouwd in de vorm zoals vroeger gebouwd werd. Samen met een houten huis op de  Zeedijk nr.1 behoort het tot de oudste huizen van Amsterdam. De geschiedenis van de begijnen begint rond 1150 toen vrouwen begonnen met een religieus leven, buiten alle ordeverband om. Zij hielden zich bezig met ziekenzorg en legden geen belofte af. De naam Begijnen is van een later datum, de oorsprong van de naam is nog steeds onduidelijk. Op het Begijnhof in Amsterdam beschikte iedere Begijn over een eigen woninkje of woonruimte waar ze haar eigen huishouden bestierde. Zij waren voor de stad van onschatbare waarde bij de verzorging van zieken in hun eigen woning en allerlei andere vormen van maatschappelijke hulpverlening. Door sommige Begijnen werd ook onderwijs gegeven aan kinderen die zij in de kost hadden en tot laat in de negentiende eeuw is er zelfs een soort schooltje geweest in een van de huisjes. Vrouwen konden als jong meisje toetreden tot het Begijnhof maar ook op latere leeftijd, bijvoorbeeld als zij weduwe waren geworden. Omgekeerd waren zij ook vrij om het hof weer verlaten, bijvoorbeeld om te trouwen. De Begijnen kwamen vaak uit gegoede en invloedrijke families. In 1950 woonden er nog tien Begijnen in huis ‘Bethanie’ en vormden tezamen ‘het Convent der Begijnen’ ook wel ‘Klooster van de Zusters van het Sacrement’ genoemd. Eind jaren zestig  verhuisden de drie overgebleven Begijnen naar het souterrain. Nadat in 1971 het laatste Begijntje was overleden, is in 1974 als eerbetoon aan alle Begijntjes een bronzen beeld van een Begijn geplaatst, in het kleine binnenhof nabij de ingang aan het Spui. In 1956 werd het Begijnhof officieel ondergebracht in een stichting. Na een omvangrijke restauratie in 1987 van het gehele hof, bestaat het nu uit 106 HAT woningen. Deze worden door de Stichting het Begijnhof verhuurd aan weduwen en ongehuwde dames, bij voorkeur katholiek, van boven de 30 jaar.

Stichting Vrouwe van Heemskerk

Derde Weteringdwarsstraat 25

Gesticht in 1890
Was bestemd voor: N.H. oudere vrouwen.
Huidige bestemming: Particulier eigenaar /bewoner.

De volledige naam van dit hofje luidde Stichting van wijlen Vrouwe A.J. van Heemskerk en haren echtgenoot W. H. Schuylenburg, waaruit mag worden opgemaakt dat het bij testament is gesticht. Het bood plaats aan zes Nederlands Hervormde vrouwen die hier vrij wonen genoten en een uitkering per week. Achter het huis bevindt zich een klein binnenplaatsje. In de tijd van Alings (1965) was er nog niets aan deze situatie veranderd. De stichting bezat in die tijd ook nog een huis in De Bilt waar plaats was voor vier vrouwen.

In het huis hebben tot rond 1977 nog zes vrouwen gewoond, die niet meer dan ieder één kamer hadden. Daarna hebben er krakers in gezeten en in 1980 is het verkocht aan een particulier echtpaar dat er sindsdien woont. De dames zijn later nog wel eens komen kijken en vertelden dat zij op het laatst te eten kregen van het erachter gelegen Hodshon Dedelshofje.

Swigtershofje

Amstel 86-98

               altaar kapel

Gesticht in 1744
Was bestemd voor: RK vrouwen boven de 50 jaar, bij voorkeur familie.
Huidige bestemming: Normale huurwoningen.

Isaak Swigters was een rijke kaart- en boekverkoper, die in 1742 al als rentenier leefde in zijn huis aan de Nieuwe Brugsteeg, waar zijn zuster de weduwe Sara Loots de boekwinkel beheerde. Na het overlijden van Sara in 1743 en hun ongehuwde zuster Alida in hetzelfde jaar, was Isaak de enig overgebleven erfgenaam. Door de erfenissen van zijn moeder en zusters kwam Swigters in het bezit van een zestal huisjes aan de Speelmansteeg, zoals de gang toen heette. In 1744 maakt Swigters zijn testament waarin hij bepaalde dat de huisjes moesten worden afgebroken en geheel nieuw moesten worden opgebouwd tot een hofje. In 1746 werd met de bouw begonnen. Elk huisje kreeg twee bovenverdiepingen, elk één kamer groot met twee bedsteden en een haardstede. De 18 woninkjes konden daardoor 36 vrouwen huisvesten. Het hofje kreeg de naam Sint Jans Oude Vrouwen Swigters Familienhofje. Het was dan ook in de eerste plaats bedoeld voor familieleden van Swigters en die van zijn zwager Joannes Loots, die bij plaatsing voorrang genoten. Degene die het laatst op het hofje was komen wonen, moest zelfs haar huisje ontruimen wanneer een van de familieleden zich zou melden.

Swigters bezat ook nog een huisje in de Balk in ´t Oogsteeg, dat aan de achterkant aan het hofje grensde. In zijn testament had hij mede bepaald dat dit huisje tot een kapel moest worden verbouwd. Dat laatste heeft Swigters niet meer meegemaakt, hij overleed in 1750 waarna het bestuur overging naar het RCOAK, die tot universeel erfgenaam werd gesteld. In 1751 werd door Burgemeesteren toestemming verleend om het huisje tot een bidplaats om te bouwen. Met de restrictie dat de in- en uitgang van het hofje in de Balk in ´t Oogsteeg moest worden dichtgemetseld. Het toegangspoortje aan de Amstel is vervaardigd door de steenhouwer Pieter Pantel.

In 1926 zijn de woningen verbouwd en de trappen gemoderniseerd. In de tijd van Alings (1965) werd het hofje nog bewoond door 18 vrouwen die ieder een kamer hadden zonder keuken. En in de kapel werd nog iedere zaterdag een H. Mis opgedragen door een pater Franciscaan. Aan het eind van het steegje naast de kapel bevindt zich een klein tuintje grenzend aan de Balk in ´t Oogsteeg waar vroeger de uitgang was.

In 1975 is het Swigterhof overgedragen aan de Stichting Leefklimaat, een samenwerkingsverband tussen het J.A.C en de Hubertusstichting, waarbij het RCOAK zich verplicht nog 15 jaar te zullen zorgdragen voor het uitwendig onderhoud. Op 7 mei 1978 wordt het Swigtershofje verkocht aan de Stichting Leefklimaat, die het in 1991 weer verkoopt aan De Key. Deze verhuurt het nu gedeeltelijk aan Hotel Amstelzicht en Stichting Trustfonds. De kapel werd in 1983 teruggekocht door het RCOAK en gerestaureerd door de Stichting Jan Pieteresz. Huis Swigtershofje.

Vredenburgh

Vredenburgersteeg 1-35

Nieuw Vredenburgh Postjesweg

Gesticht in 1836
Was bestemd voor: RK vrouwen boven de 60 jaar.
Huidige bestemming: Opgeheven en overgegaan in Nieuw Vredenburgh

Beschrijving Hofje:

De geschiedenis van Vredenburgh begint als Theresia Spijker in 1829 vier arme, oude roomse vrouwen bij zich in huis neemt. De officiële opening van het Roomsch-Catholyk Burger Oudevrouwenhuis Vredenburgh, is op 22 mei 1836 en dan wonen er reeds acht vrouwen. Anna Helena Theresia Spijker werd geboren in januari 1794 in het voormalige Duitse Graafschap Lingen. Op zeven jarige leeftijd gaat zij naar Amsterdam om bij haar tante van vaderszijde en oom te gaan wonen, en met toestemming van haar ouders door dit kinderloze echtpaar te worden opgevoed. Oom Johannes Hendricus Loohuys had samen met zijn vrouw Maria Egelina Spijker een kruidenierszaak en woonde in de Warmoesstraat. Hij had daar een zeker vermogen mee vergaard en wilde dat een caritatieve bestemming geven. Daarbij wilde hij zijn geld niet schenken aan een al bestaande instelling, maar zelf iets stichten, hetgeen vrij uitzonderlijk was voor een rooms-katholieke middenstander. Theresia inmiddels volwassen maar nog ongehuwd hielp hem daarbij.  Het moest geen hofje worden want dat zou slechts voor een deel in de behoefte voorzien: wel vrije woning maar geen zorg. Het werd dus een instelling waar behoeftige roomse vrouwen van boven de zestig gratis volledige verzorging konden krijgen. Zoiets bestond nog niet.

In 1829 werd het gebouw aangekocht op de hoek van de Oudezijds Voorburgwal dat al Vredenburgh genoemd werd en waar Theresia haar intrek nam. Voor Loohuys en zijn vrouw was dit het moment om hun handel te verlaten en van hun levensavond te gaan genieten en gingen wonen in een pand daar vlak bij op de hoek van de Lange Niezel. Loohuys bleef echter wel nauw betrokken bij Vredenburgh. Lang heeft deze situatie niet geduurd. Op 9 november 1835 overleed Maria Engelina Spijker en elf dagen later Johannes Hendricus Loohuys. Op zijn sterfbed heeft hij zijn testament herzien, waarbij een klein deel naar verre neven en nichten ging en de rest van zijn vermogen Theresia ten deel viel. Zij stond er nu als directrice, 41 jaar oud geheel alleen voor.

Theresia maakt op 16 december 1836 haar testament en benoemt Andreas Bernardus Naayers, toen nog kapelaan van Het Hert later pastoor in De Kwakel tot regent /erfgenaam van Vredenburgh. Ook worden Mr. Anthonius Zacharias Hanlo en zijn vrouw Juliana Francisca Johanna ten Sande regent resp. regentes en erfgenamen.

Toen Theresia in 1839 haar wilsbeschikking herriep -op dat moment al zwak en ziek- werden Hanlo en zijn vrouw ontslagen als regent en regentes van Vredenburgh. Naayers was als haar enige vertrouweling overgebleven. Theresia stierf op 9 oktober 1839, slechts 45 jaar oud.

Naayers moest er als executeur testamentair voor zorgen dat Vredenburgh de status kreeg van ‘rechtspersoon’ om het legaat te kunnen accepteren. Een voorwaarde daarvoor was weer dat het aantal regenten met minstens twee werd uitgebreid en dat heeft hem nogal wat moeite gekost. Pas in 1842 als Naayers nog drie regenten heeft gevonden kan het testament worden aanvaard. Kostte het eerst moeite om bestuurders te vinden met enig aanzien, waarschijnlijk omdat Vredenburgh geen hoog aanzien had, maar toen die er eenmaal waren volgden er meer en zo is het gebleven.

Naar de wens van Theresia werd Vredenburgh  in de loop de jaren steeds verder uitgebreid. Het deel van de gebouwen dat eerst werd verhuurd werd stukje bij beetje omgebouwd tot er in 1861 veertig vrouwen woonden, en vanaf dat moment ontstond er een wachtlijst. De vrouwen die op Vredenburgh wilden wonen moesten van onbesproken gedrag zijn en mochten niet ziek of bedlegerig zijn. Het was volgens het testament van Theresia bedoeld voor de ‘hoogst noodlijdende’ weduwen of ongehuwde vrouwen. Zij moesten echter wel een bedrag aan inschrijfgeld betalen en dit lijkt in tegenspraak met het voorgaande. Bij Theresia was dit niet verplicht, maar na haar dood werd de inkoopsom steeds verder verhoogd. De reden waarom Vredenburgh bij Alings (1965) niet vermeldt staat. Die inkopsom werd doorgaans niet door de bewoonster zelf betaald, maar door familie, vrienden of werkgevers, wat als een extra bewijs van goed gedrag werd gezien. Er waren maar zeer weinig vrouwen die na aftrek van de begrafeniskosten nog iets na lieten.

In 1890 vond een eerste renovatie plaats maar die veranderde weinig aan het chaotische trappen- en gangenstelsel. Ook in 1929 werd er gerenoveerd en in 1935 opnieuw, maar dat was niet voldoende om aan de eisen van die tijd te voldoen. De brandweercommandant stuurde na een inspectie een lange lijst met gebreken en merkte daarbij op dat een ingrijpende verbouwing nodig zou zijn om die voorzieningen aan te brengen. Tijdens de tweede wereldoorlog had Vredenburgh dusdanig op de reserves ingeteerd, dat voor het eerst een jaar negatief werd afgesloten. Na de oorlog werden er verschillende bejaardenoorden gebouwd in ‘lommerrijke wijken’ waardoor Vredenburgh ineens een stuk minder aantrekkelijk werd. Het bewonersaantal liep terug 23 en ook het vinden van geschikt personeel werd steeds moeilijker. Uiteindelijk was alleen een non nog bereid om directrice te worden en samen met een andere non voor de steeds hulpbehoevender wordende oudjes te zorgen. Vanaf 1956 speelde bij een van de bestuursleden al de gedachten aan nieuwbouw. Maar het heeft nog tot 1980 geduurd voor Nieuw Vredenburgh werd geopend, een verzorgingshuis en wijkcentrum voor ouderen in de Admirale- en Postjesbuurt, nu stadsdeel De Baarsjes. In de gang naast de kamer van de directeur hangt nog een ingelijst REGLEMENT VAN ORDE van rond 1900.

Het oude gebouw aan de Vredenburgersteeg werd in 1977 verkocht en in 1979 gekraakt. Het is later opgekocht door de gemeente en opgeknapt en nu een complex van woningen en ateliers.

Zon’s Hofje

Prinsengracht 159-171

 

Gesticht in 1765 [1677]
Was bestemd voor: Doopsgezinde vrouwen boven de vijftig jaar.
Huidige bestemming: Doopsgezinde studenten

Bijzonderheden: gevelsteen De Arke Noach boven de deur op de binnenplaats.

Beschrijving hofje:
Dit hofje ligt verscholen achter de huizen van de Prinsengracht en Prinsenstraat. Het is bereikbaar via een lange gang die van 1723-1728 de Sonnegang werd genoemd en later de Noachsgang. Op de plaats van het hofje stond toen de Doopgezinde kerk “de Kleine Zon” van de Vereenigde Waterlandsche en Vlaamsche Gemeente, die nog een kerk “de Zon” hadden op het Singel. Na verkoop aan de Friese Gemeente werd de kerk “de Arke Noach” genoemd. Destijds mochten Doopsgezinden geen front aan de openbare weg hebben. Toen “de Zon” zich met de Friese verenigde werd “de Arcke Noach” overbodig en besloot men in 1755 op de plaats van de kerk een hofje te bouwen. Dit ter vervanging van een hofje in de Tuinstraat, voor oude vrouwen, -mannen en wezen, dat in 1672 “de Zon” werd toebedeeld. Omdat het tot 1764 duurde eer een vergunning tot bouwen werd verkregen, kon het hofje pas in 1765 in gebruik worden genomen. Het hofje bestond toen uit zes huisjes en twaalf kamers, 26 vertrekken voor 2 personen, met eetkamer, keuken en moederwoning. Verder had het hofje beneden en boven de vereiste gemakken en overvloed van regen- en popwater. De zolder en vliering dienden aan een zijde om kleren te drogen en aan de andere zijde tot berging van turf, een redelijke luxe voor die tijd.
Het hofje is in 1800 vergroot en in 1882 ten tweede malen. Ten tijde van Alings (1965) bood het plaats aan 32 vrouwen. De directrice heeft haar huis op de Prinsengracht 173, met een achteruitgang op het hofje. Daar woont nu de beheerder en de bewoners van het hofje zijn studenten. Om voor bewoning in aanmerking te komen moeten de studenten lid zijn van de Doopsgezinde Gemeente en tussen de 18 en 22 jaar. Ze mogen er drie jaar blijven met een verlenging van twee jaar tot een maximum leeftijd van 27 jaar. Er is een grote woonkamer waar 4 maal per jaar vergaderd wordt en gezamenlijke activiteiten plaatsvinden. Bij een intakegesprek, zo vertelde een van de bewoners, wordt er altijd op gewezen dat het sociale aspect bij het wonen op dit hofje voorop staat.

 

Elisabeth Otter-Knoll Stichting

Eikenplein 2

Gesticht in 1886 gebouw van 1912
Was bestemd voor: Protestantse vrouwen boven de 55 jr.
Huidige bestemming: Sinds 1982 verzorgingshuis EOKS in Buitenveldert

Bijzonderheden: gevelsteen

Johanna Elisabeth Sophia Knoll trouwde in december 1847 op bijna dertig jarige leeftijd met de redelijk gefortuneerde makelaar Adolf Fortgens Otter. Van Utrecht, waar zij om onopgehelderde reden door haar grootouders was opgevoed, verhuisde zij naar de Leliegracht 46 in Amsterdam. In 1857 verhuisde het echtpaar, dat kinderloos zou blijven, naar de Kloveniersbrgwal 97.  Een jaar later overleed Fortgens Otter, hij werd in de Nieuwe Kerk begraven. Weer een jaar later overleed haar schoonmoeder en Elisabeth´s bleek van beiden de enige erfgenaam. Een paar jaar daarvoor waren haar opa en vader gestorven van wie zij ook de enige erfgename was, kortom Elisabeth was op haar 41e jaar een vermogende vrouw. Drie jaar later is zij hertrouwd – buiten gemeenschap van goederen!- met de dominee Hendrik Luësen. In de jaren van hun huwelijk hebben zij veel gereisd. Luëssen overleed in 1887 en Elisabeth was opnieuw weduwe.

Al in een testament van 1886 is sprake van een stichting voor dames uit den deftigen stand en van een tehuis voor oude Zeekapiteins en stuurlieden der koopvaardij, het laatste op verzoek van Fortgens Otter en haar schoonmoeder, beide zijn er gekomen. Bij haar overlijden in 1900 bleek zij haar wensen ten aanzien van de uitvoering daarvan zeer nauwkeurig te hebben omschreven. Zij wilde fatsoenlijke dames die onvermogend, en zonder eigenschuld, niet in staat zijn in haar eigen onderhoud te voorzien een onbezorgde oude dag verschaffen. Want voor vrouwen uit de ‘mindere stand’ waren er genoeg hofjes. De dames moesten beschikken over een eigen jaarlijks inkomen van 500 gulden, dat met 500 gulden door de stichting werd verhoogd en waarover zij vrij konden beschikken. Zij moesten 500 gulden entree betalen maar daarna was dan ook alles vrij. Nog tijdens haar leven werd besloten dat het gebouw moest komen op een terrein dat eigendom was van de stichtster in het Oosterparkkwartier. Bij testament had zij precies bepaald hoe het eruit zou moeten zien. Alle woningen beschikten over een kleine entree, een zit- en slaapkamer en WC, met een raam aan de straatkant. Aan beide zijden van de ingang bevonden zich de regentenkamer en de directeurswoning, waarachter de binnentuin. In de achtervleugel bevonden zich de eetkamer, conversatiezaal en leeszaal. Deze waren door middel van schuifdeuren verbonden en konden zo tot een grote zaal gemaakt worden bij feesten. En dat alles chic gemeubileerd! In de kelder waren de provisiekamers, de keukens en centrale verwarming.

Op 28 februari 1912, na vele tegenslagen en veel later dan de wens van Elisabeth, werd het Dames Gesticht geopend, en konden 17 gelukkige dames hun intrek nemen. En in 1916 werd de Fortgens Otter Stichting geopend nadat het woonhuis aan de Kloveniersburgwal hiertoe verbouwd was. Wegens gebrek aan belangstelling werd deze stichting in 1923 al weer opgeheven en hebben de laatste bewoners onderdak gevonden in het Dames Gesticht. In de jaren zestig van de vorige eeuw veranderden de opvattingen ten aanzien van ouderenhuisvesting, en ook het Dames Gesticht voldeed op den duur niet meer aan de eisen. In 1980 ging de eerste paal de grond in en op 30 november 1982 werd het nieuwe gebouw van de Elisabeth Otter Knoll Stichting geopend. Een algemeen verzorgingshuis gecombineerd met aanleunwoningen, aan de Loowaard in Buitenverldert. Het is er weer even chic ingericht. De inrichting van de regentenkamer met de mooiste stukken van Elisabeth is meeverhuisd naar de nieuwe regentenkamer en een groot portret van haar siert de hal.

Het gebouw aan het Eikenplein is indertijd voor een symbolisch bedrag verkocht aan Het Oosten. Het hofje is nu van Ymere die het verhuurt. In de rechtervleugel individuele wooneenheden, in de linkervleugel een woongroep en aan de voorkant rechts is een gemeenschappelijke huiskamer met een kookeiland. In de vroegere eetzaal- conversatiezaal- leeszaal is sinds 1984 een artotheek gevestigd, later het CBK.

Het CBK is in 2009 verhuisd naar Oranje-Vrijstaatkade 71

 

Bestedelingenhuis Amstelrank

Nieuwe Herengracht 20

                                Achterzijde

Gesticht in 1789
Was bestemd voor: Bestedelingen
Huidige bestemming: Opvanghuis en Mission Hous

Bijzonderheden: gevelinscriptie

Beschrijving Hofje:

Dit huis is door Johanna Bontekoning*, derde echtgenote van Jan van Mekeren, als Bestedelingenhuis (armenhuis) geschonken aan de Diaconie. Jan van Mekeren had met zijn tweede vrouw de Nooteboome Uytkijk gesticht en De Eendracht was zijn buitenverblijf. Johanna is op 3 mei 1789 overleden en op 9 december heeft Van Mekeren de eerste steen gelegd voor dit huis. Van Mekeren zelf is twee jaar later gestorven. Het is nu Opvanghuis Elandsstraat Amstelrank en Mission Hous en behoort als zodanig bij de Protestantse Diaconie Amsterdam.

Boven de deur staat een 9 regelige tekst:
De Milde Liefde van Johanna Bontekoning
Gaf Jesus armeLeen dit nuttig Huys Ter Bewooning
Die Driewerf hun ten Dienst als Moeder zigh Verbond
En in der Armen Heil en troost Haar blydschap Vond
Nu Rust zy van Haar Werk zy Ziet Haar Liefde Loonen
Haar Arbeid uyt Genaa met Eewig Heil Bekroonen
Van Mekeren met Haar Verbonden in den Echt
Heeft met Veel Tederheid den Eersten Steen Gelegt
Den 9 December Aō 1789

  • zie ook Eendracht Anslo.